Expo ‘Het Eiffelgebouw: Sporen die tot het laatst getuige zijn gebleven’

De foto-expositie ‘Sporen die tot het laatste getuige zijn gebleven’ is gedurende de TEFAF en daarna nog tot  1 april te bezoeken in het Informatiecentrum Belvédère aan de Fenikshof 1. De toegang is gratis. Het boek is ter plekke ook te koop. Ook de foto’s kunnen in overleg met de kunstenares worden aangekocht.

Waarom een boek met foto’s over het Eiffelgebouw?
Annette
: ‘Ik ben beeldend kunstenaar en in mijn tekeningen en schilderijen speel ik met zogenaamde rest-vormen/rest-ruimte. Lege vlakken in mijn schilderijen zijn even belangrijk als mijn getekende/geschilderde onderdelen. Toen ik de eerste keer in het Eiffelgebouw liep wist ik niet wat ik zou zien, behalve dan veel ijzer, grauw beton en architecturale ruimtes met heel veel ramen en pilaren. Wandelend door het Eiffelgebouw raakte ik gefascineerd door tal van overblijfselen. Het verhaal achter die resten zijn mogelijk nog belangrijker als de tekening die je waarneemt. Verhaal en restvormen vertellen voor een belangrijk deel de geschiedenis van het gebouw, van de mensen die er gewerkt hebben. Zij vertegenwoordigen als het ware de huidige status, de tweede fase zoals oud-wethouder Jacques Costongs het in het voorwoord benoemt.’

Wanneer ben je begonnen met fotograferen in het gebouw?
Annette: ‘Ik ben in 2014 begonnen met fotograferen. Zonder nog het plan te hebben iets meer met deze foto’s te doen. Het diende puur als inspiratiebron. Pas later heeft zich het idee ontwikkeld om de foto’s in boekvorm uit te geven. Het afgelopen jaar heb ik de uitgave volledig in eigen hand genomen en ben ik aan de slag gegaan met de vormgeving, het zoeken van een drukker. En nu is het moment om het boek te presenteren.’

Je foto’s zijn anders dan anders. Waarom heb je gekozen voor details die de vergankelijkheid en het verval laten zien?
Annette: ‘Ik werk veel met details, kleine onderdelen van een groter geheel. Ik zoom als het ware in. Details, onderdelen boeien mij en dan vooral de atmosferische en affectieve kwaliteiten die ze oproepen. Zij zijn vaak interessanter dan het geheel. Heel vaak zijn dat natuurlijke en of materiële resten die ik overal aantref. Of bijvoorbeeld verroest materieel zoals een achtergelaten landbouwwerktuig. Resten die vergankelijk zijn en verval tonen, maar dat zijn woorden die ik eigenlijk nauwelijks gebruik. Die resten zijn voor mij veel meer een momentopname. Ik waardeer juist de status die ze op dat moment hebben en die even belangrijk en mooi is als de ‘bloei’ status, de ‘levende’ status. Het is de gevoelswaarde van de dynamiek en beweging die mij raakt.’